Hoe verloopt de operatie?
De narcose
De operatie kan zowel onder volledige narcose als onder plaatselijke verdoving (ruggeprik) worden uitgevoerd. Plaatselijke verdoving beïnvloedt de algemene toestand van de patiënt minder dan een volledige narcose. Daarom worden veel knieprotheseoperaties tegenwoordig onder plaatselijke verdoving uitgevoerd.
Welke methode wordt toegepast, is afhankelijk van individuele factoren – de beslissing hierover wordt binnen het kader van het voorlichtingsgesprek samen met de anesthesist genomen en de patiënt krijgt hierover voorlichting.
De totale ingreep duurt in de regel ongeveer 60 tot 120 minuten.
Begin van de operatie
Nadat de narcose is gaan werken, wordt de patiënt in rugligging op de operatietafel gelegd. Vervolgens wordt het been dat geopereerd moet worden, gedesinfecteerd en steriel afgedekt. Bovendien wordt er een bloeddrukmanchet om het bovenbeen gedaan, die in opgepompte toestand sterke bloedingen tijdens de operatie verhindert.
Nu brengt de chirurg aan de voorzijde van de knie een boogvormige incisie van zo’n 20 – 30 cm aan. Het onderliggend weefsel wordt samen met de knieschijf opzij geschoven en het kniegewricht wordt blootgelegd. Zo heeft de chirurg goed zicht op alle delen van het kniegewricht.
-
Vraag: Wat is het verschil tussen standaardmethode en minimaal-invasieve operatietechniek?
-
De lengte van de incisie verschilt individueel en ligt bij een standaard-knieprotheseoperatie ongeveer tussen de 20 en 30 cm. Daardoor heeft de chirurg weliswaar optimaal overzicht over het operatieveld, maar de genezingsfase duurt langer, omdat er meer weefsel aan elkaar moet groeien. Daarom zijn er de afgelopen jaren steeds meer minimaal-invasieve operatietechnieken ontwikkeld. Daarbij is niet alleen de incisie korter (10 tot 12 cm), maar ook worden bij de operatie alle andere structuren zoals spieren en gewrichtsbanden zo veel mogelijk ontzien. Weliswaar wordt de genezingsfase hierdoor korter, maar doordat het operatieveld minder overzichtelijk wordt, kunnen er wel weer andere complicaties ontstaan.
Voorbereiding van de gewrichtsoppervlakken
Terwijl het kniegewricht in een rechte hoek is gebogen, verwijdert de chirurg nu de voorste kruisband, de menisci en de kapotte kraakbeenresten van de dijbeenknokkel en de scheenbeenkop. De achterste kruisband wordt voor zover mogelijk gespaard, net als de zijbanden, die essentieel zijn voor de stabiliteit van het kniegewricht.
Met behulp van precisiezaagsjablonen worden vervolgens de dijbeenknokkel, de scheenbeenkop en indien nodig ook de achterzijde van de knieschijf zodanig voorbereid dat de prothesedelen optimaal passen. Hierbij kan de chirurg ook een verkeerde stand van de beenas corrigeren.
Inzetten van de prothese
Voordat de chirurg de kunstmatige prothesedelen in het gewricht verankert, plaatst hij eerst testprothesen. Hierdoor kan hij controleren of de prothese goed zit, of de prothese past en of hij zowel stabiliteit als beweeglijkheid biedt. Wanneer deze test naar tevredenheid verloopt, dan worden de prothesedelen met of zonder botcement in het bot bevestigd.