Aan elke operatie zijn risico’s verbonden – ook bij de schouderprotheseoperatie kunnen complicaties optreden. Meestal spreken de voordelen echter voor een operatieve ingreep: patiënten krijgen na de schouderprotheseoperatie immers doorgaans een groot stuk kwaliteit van leven terug.
Botbeschadiging
Tijdens de operatie kan het bovenarmbot of het schouderblad beschadigd raken. Afhankelijk van de botkwaliteit en de zorgvuldigheid van de chirurg kunnen er fijne haarscheurtjes in het bot optreden, maar ook grotere botbreuken. Hierdoor kunnen onder bepaalde omstandigheden verdere operatieve stabiliseringsmaatregelen nodig zijn, in die gevallen wordt ook de nabehandelingstijd langer.
Nabloeding en bloeduitstorting
Direct na de operatie kunnen er nabloedingen en bloeduitstortingen optreden. Daarom wordt er meestal een klein slangetje, een zogenaamde redondrainage, in de wond geplaatst, via welk wondsecreet en bloed kunnen worden afgevoerd. Dit kan na twee tot drie dagen worden verwijderd.
Trombose en embolie
Onder trombose wordt de vorming van een bloedprop in een bloedvat verstaan. Daarvan kunnen kleine stukjes losraken, waardoor bloedvaten in de longen verstopt kunnen raken (embolie). Bij operatieve ingrepen wordt de kans op trombose met name verhoogd door de bedlegerigheid. Daarom worden er maatregelen getroffen om trombose te voorkomen, daartoe behoren bijvoorbeeld anti-trombose-spuiten en spataderkousen.
Verstoring van de wondgenezing
Naast de incisie moeten ook de onderliggende weefselstructuren weer aan elkaar groeien. Hierbij kan het tot een zogenaamde verstoring van de wondgenezing komen, wat gepaard kan gaan met hevige pijn of ontstekingen, en het kan langer duren voordat de wond gesloten is.
Infectie
In de periode rond een operatie bestaat er verhoogde kans dat er infecties optreden. Daarom wordt er tegenwoordig bij een schouderprotheseoperatie meestal botcement gebruikt, waaraan een antibioticum is toegevoegd. Dit kan een mogelijke infectie van de prothese verhinderen.